Noem iemand bij zijn naam

“En je moet hem de naam Jezus geven”

Al meteen aan het begin van het Nieuwe testament wordt het belang van een naam beschreven. “Je moet hem Jezus noemen” (Luc. 1:30-33). Een naam geeft betekenis en identiteit. We weten meer van de benoemde dan zomaar. Het is opvallend dat Judas in het lijdensverhaal niet die naam Jezus gebruikt (Luc. 22:4-5), Jezus is een ‘hem’: “Wat geven jullie me als ik hem aan jullie uitlever?”

Door een persoon niet bij zijn naam te noemen nemen we afstand van die individu: we laten zijn naam los. ‘Het zijn die etnische minderheden’ hoor je al snel of vaker meer tendentieuze negatieve aanduidingen voor anonieme bevolkingsgroepen (kut-Marokkanen). Wanneer mensen daarentegen in de praktijk kennis maken met de levensgeschiedenis van concrete individuen (Ajwad en Dunyana bijvoorbeeld) ontstaat er in veel gevallen een minder afstandelijke en minder voor-oordelende houding tot actiegroepen voor Lili en Howick toe.

Een naam, oftewel het verhaal dat bij een concreet individu hoort, geeft die mens de meerwaarde die hij verdient. Iedere meerduidige benoeming is het begin van afstand nemen tot die persoon. Bij ”je moeder belde” of “die buren” lijkt dat nog redelijk onschuldig maar bij “dat blondje’ en zeker bij “die joden” begeef je je op behoorlijk glad ijs. In de Auschwitz documentatie lees je hoe intens denigrerend het is dat ze (“die Duitsers”) je naam afnamen en je een nummer kreeg. Je persoon zijn werd weggevaagd. Het is dan ook begrijpelijk dat onze medeburgers met een joodse achtergrond heel veel moeite hebben met het BSN (burgerservicenummer). Voor heel wat administratieve handelingen zijn je naam en je adres (je persoonlijke vindbaarheid) onvoldoende en dien je het BSN toe te voegen. Ik durf te stellen: hoe afstandelijker je persoonsaanduiding hoe minder je bestaat.

De tendens om te depersonaliseren grijpt overigens om ons heen en we weten vaak niet meer waar een aanduiding voor staat. Ik gaf vroeger les op het Hazenkampcollege voor MEAO van de stichting Sint Jozefscholen. Daarmee werd zowel een locatie als de inhoud van het onderwijs als de identiteit aangegeven. Bij een fusie ontstond de naam Economisch College Nijmegen. De locatie werd diffuser de inhoud van het onderwijs werd vager en over identiteit werd niet meer gesproken. Nog een fusie verder ontstond het ROC Nijmegen en dat deze anonieme moloch iets met beroepsopleidingen te maken heeft is het enige wat overbleef. Zo zijn er nog talloze andere voorbeelden te geven waarbij de naam van een instelling -desnoods met een heilige- ergens voor stond. Nu hebben we te dealen met volledig afstandelijke lettercombinaties en is identiteit alleen maar een vraag voor een speciaal benoemde interne commissie. CWZ, SSGN, SGN, VGZ, KUN, OCP etc. En zowaar ‘Persona’ waarbij ik altijd ‘non grata’ denk.

“En je moet hem de naam Jezus geven” klinkt mij als een wijs advies in de oren. Heel oneerbiedig gezegd “geef het beestje een naam”. Met een naam geef je identiteit en kun je het unieke verhaal beschermen. Met een naam kunnen we elkaar in de ogen kijken: “Wie ben jij?” “Ik ben Hubert en sympathiseer met het OCP Sint Steven” bijvoorbeeld.

Hubert Hendriks

Laat een reactie achter