Skip to content

‘Wees niet bang’

Het leven van Holkje van der Veer is nooit doorsnee geweest. Afkomstig uit een doopsgezinde gemeente vond ze haar thuis in de dominicanenorde. “Bekering” noemt ze dat niet graag, want de religieuze grondtoon blijft dezelfde.

Holkje Van der Veer beantwoordt in meerdere opzichten niet aan het cliché van “een zuster”. Ze is kleurig gekleed en “een beetje ijdel”, geeft ze toe, genietend van een grote cappuccino. Een zuster die wel eens durft te vloeken ook, zoals blijkt uit een stuk over bidden in haar jongste boek, Drijf-veer. De angst voorbij. “Ik heb getwijfeld of ik dat erin zou zetten, maar het is wel zo: af en toe een krachtterm gebruiken lucht heerlijk op en geeft zuurstof aan mijn verontwaardiging over het onrecht in deze wereld. Zo benoem je het kwaad en vraag je God zich te ontfermen over de ellende die mensen wordt aangedaan.”

In uw boeken klinkt meermaals dat u met een religieuze snaar bent geboren.

“Stel dat alle kerken werden verboden en afgebroken. Ik kan me niet voorstellen dat ik dan niet meer religieus zou zijn. Vergelijk het met een muzikaal talent: het ene kind neemt spontaan en met plezier een instrument ter hand, het andere moet je regelmatig aanmoedigen om te gaan spelen. Goed leren musiceren vergt sowieso scholing, maar als de liefde voor de muziek niet van binnenuit komt, dan kun je het wel schudden. In onze gemeenschap hadden we eens een studente die schitterend klarinet kon spelen. Haar kamer lag naast de mijne. Op een gegeven moment had ze het erg moeilijk. Ze was in de kerstperiode naar huis geweest en het weerzien met haar ouders was niet goed verlopen. Wat ik toen door de muren heen hoorde… Ontroerend was dat! Gelijkaardig speelt het religieuze bij mij op een diepe laag, op oerniveau.”

“Ik heb sterke herinneringen aan de keren dat ik als klein meisje zomaar op een doordeweekse dag naast mijn vader in de neogotische katholieke Obrechtkerk in een van de kerkbanken zat. Het gevoel dat ik daar toen had – er gebeurde meer dan alleen maar wat zitten. De stilte, het gekleurde licht dat door de ramen viel, die sfeer: dat alles heeft op mij een onuitwisbare indruk gemaakt. Daarom ben ik er zo’n voorstander van kerkdeuren open te zetten, juist ook op doordeweekse dagen, zodat mensen een plek hebben waar ze even tot rust kunnen komen, waar ze samen de intimiteit van de stilte kunnen ervaren. Een kerk is zoveel meer dan alleen maar dat gebouw op zondagochtend.”

U groeide op in Amsterdam in de jaren 1960-’70. Hoe was dat in gelovig opzicht?

“Over je religieuze gevoel spreken, stond in die woelige jaren gelijk met weggezet en buitengesloten worden. Dat was gewoonweg not done. ‘Die tijd hebben we gehad’, klonk het, of er kwamen steevast grappen als ‘ha, we hebben er hier nog eentje, die leeft nog in de oertijd’. Toen ik als student in een buurthuis werkte en op vrijdag de plannen voor het weekend op tafel kwamen en ik dan zei dat ik op zondag naar de kerk zou gaan, kwamen er reacties als: ‘Wij dachten dat je leuk was’ of ‘Jij was toch een van ons?’ In zo’n omgeving ga je je als vanzelf afvragen of je over je geloof niet beter je mond kunt houden. Er is altijd zorg geweest om mijn broze gezondheid. Door het syndroom van Marfan is mijn rug behoorlijk krom gegroeid, ondanks de korsetten die ik in mijn puberteit moest dragen. In mijn middelbare schooltijd werd ik meermaals opgenomen in een ziekenhuis. Ondanks de onzekerheid en het wachten op een operatie verzandde ik nooit in hopeloosheid, maar bleef ik erop vertrouwen dat het goed zou komen. Dat ik toen niet gek ben geworden, zie ik als een klein bewijs van het bestaan van de heilige Geest, scherts ik wel eens. Maar het maakt eenzaam als je religieuze snaar niet wordt erkend en zelfs belachelijk wordt gemaakt. Veroordeeld worden als raar, gek of ouderwets omdat je laat weten dat je een christen bent, is pijnlijk.”

Verklaart het ook waarom u zozeer de nadruk legt op het belang van verbinding tussen mensen?

“Vertrouwen tussen mensen, maar ook vertrouwen hebben in instituties als de medische zorg, de politie, de overheid, is belangrijk. Het is heel erg als vertrouwen wordt geschaad, het kan onze samenleving en onze privé- levens ontwrichten. Ik ben vrijwilliger op een middelbare school, op de afdeling voor leerlingen met een fysieke beperking. Laatst had ik een gesprek met een groepje leerlingen over de ‘voordelen’ van hun beperking. Ik vroeg hen twaalf dingen op te sommen die zij beter kunnen dan ‘gewone’ leeftijdsgenoten. Een antwoord kreeg ik in verschillende toonaarden te horen: verbinding maken. Als je leeft met een beperking heb je soms de hulp en ook de bescherming van anderen nodig. Om hulp te vragen, moet je contact kunnen leggen. Door hun afhankelijkheid hebben zij geleerd vertrouwen te hebben in anderen en hebben ze er belang bij zo met anderen om te gaan dat die het fijn vinden iets voor hen te doen. Veel van hen zijn mondig, creatief en gevat, de vrolijke noot in het gezelschap. Het zijn sterke persoonlijkheden. Ze moeten wel. Samen sta je sterk en kom je verder.”

Maar verbinding maken met anderen vergt wel moed, stelt u ook. Laten we ons te veel leiden door onze angsten?

“In mijn nieuwste boek, dat over angst gaat, staan na elk hoofdstuk vragen die helpen met elkaar in gesprek te gaan over hoe om te gaan met onze bangigheden. Hoe praten we over de dingen die we akelig vinden? Helpt wat we elkaar vertellen om ons vertrouwen te vergroten? Als ik bang ben voor de tandarts en anderen spreken over die beroepsgroep alleen maar in termen van beulen en graaiers, dan ga ik niet met een gerust hart in een tandartsenstoel liggen. Of de angst om te reizen naar verre landen. Er wonen dominicanessen in Irak. Als die zusters daar kunnen wonen, waarom zou ik of een ander daar dan niet heen kunnen gaan om hen te bezoeken? Je moet natuurlijk niet onverantwoordelijk zijn, maar durf te vertrouwen op de ervaring van mensen ter plaatse in plaats van vast te blijven zitten in de vrees. Er gaan meer mensen dood aan angst voor de angst dan aan wat werkelijk gebeurt. Vertrouwen en troost zijn niet altijd zomaar en vanzelfsprekend aanwezig. Dat moeten we soms van buitenaf aangezegd krijgen. In de Bijbel zie je dat op vele manieren gebeuren. De grondtoon is: wees niet bang. Dat is fundamenteel in de Bijbel. Zie je angsten onder ogen en doe vervolgens wat je te doen staat.”

Kan je angst afleren?

“Ja, onder meer door een poging te doen vooroordelen weg te houden. Onze samenleving is helaas gesegregeerd. In dit eethuis zitten op dit moment alleen blanke mensen. Hoe komt dat? We komen anderen wel tegen in de publieke ruimte, in het openbaar vervoer, maar waarom zijn er nog zoveel plekken waar we gescheiden zijn? Als je je steeds afvraagt of de ander wel te vertrouwen is en of het eten dat we voorgeschoteld krijgen, wel veilig is, word je een zuur mens. Daarom voel ik me zo aangesproken door het Bijbelse ‘wees niet bang’. Moed en kracht zijn niet vanzelfsprekend, maar ze worden ons geschonken, aangezegd.”

In uw leven blijkt ook verbeeldingskracht een goed middel om angst tegen te gaan.

“Er zijn vele soorten taal. Je hebt niet altijd woorden nodig om iets uit te drukken, er is ook beeldtaal. ‘Over- levingsbeelden’ hebben mij geholpen bange momenten door te komen. Ik heb er een hekel aan in een MRI-scan- ner te liggen. De ruimte is krap en onvriendelijk, het geluid is oorverdovend. Fijne, geruststellende beelden, zoals herinneringen aan ronddobberen op het water op een zonnige vakantiedag, helpen mij goede moed te houden en niet angstig te worden. Als het over existentiële vragen gaat, verandert de betekenis van beelden. Dan wordt die luchtmatras op het water een beeld van vertrouwen en gedragen worden. Zoals een veilige en open hand waarin wij mogen rusten.”

Is het beeld van de lijdende Jezus voor u vanwege uw lichamelijke aandoening van bijzondere betekenis?

“Dat vind ik nog steeds een moeilijke kwestie. Enkele jaren geleden – ik stond voor een medische ingreep – gaf een priester mij het advies mijn oog op Christus gericht te houden. Lang heb ik mij de vraag gesteld wat hij bedoelde. Vanwege een medische ingreep door een onzekere tunnel moeten gaan terwijl je wordt ondersteund door vele lieve mensen die het allerbeste met je voorhebben, is iets heel anders dan het getreiter en de verlatenheid van de kruisiging die Jezus moest ondergaan. Ik kan daar onmogelijk een gelijkheidsteken plaatsen. Ik zie in de passie wel: je kan door donkerte heen komen en op een andere manier tot leven worden gewekt. En ik herken ook de verbondenheid met de Maria’s, de lieve mensen die je angst en wanhoop delen en trouw bij je blijven. In die zin vind ik wel een zekere connectie met dat beeld, een verhaal van diep vertrouwen ondanks alles.”

Uw vader hield u aanvankelijk weg van de Bijbel wegens “te moeilijk”.

“We leven in een tijd waarin de Bijbel niet centraal staat. Dat vind ik jammer, alleen al omdat je zonder de Bijbel veel kunst niet kunt begrijpen. Religieuze muziek beluisteren of Rembrandt zien zonder de Bijbelverhalen te kennen? Onlangs  stond ik enkele malen met de Nederlandse cabaretier Patrick Nederkoorn op de planken voor het theaterproject Cabaretiers en andere Predikers. In de slotscène ligt Patrick languit op mijn schoot. Wie daar de piëta niet in herkent en niet weet wat dat beeld wil uitdrukken, mist een betekenislaag.” “Daarenboven zijn we als mens tegelijk uniek en niet uniek. In de psalmen kom je het hele leven tegen. De psalmen gaan niet alleen over alle grote Bijbelse thema’s zoals uittocht, verbond, ballingschap,  woestijn en koningschap, maar ook over omgaan met angst en het zoeken naar moed en troost. Die Bijbelse teksten zetten je in een breder kader, verbinden je met het gegeven dat wij niet de eersten zijn en bevatten een oproep. De vraag is steeds: in welke wereld leven we feitelijk en in welke wereld willen we leven? Welke toekomst willen we? Het doet ertoe hoe we spreken, wat we doen, wat we kopen. Om bij de angst te blijven: ga ik een bewakingscamera aan mijn voordeur hangen? Ik wil liever geen inbrekers, maar als ik aan die angst toegeef, wordt mijn wereld alleen maar kleiner en geslotener. In de Bijbel daarentegen worden mensen eropuit gestuurd: ga weg, ga op reis, verlaat uw grond. Laten we elkaar vooral aanmoedigen en de weg wijzen om telkens weer een nieuw begin te maken.”

Over een nieuw begin gesproken: u groeide doopsgezind op, werd katholiek en trad in bij de dominicanen, waar uw medezusters nu grotendeels tachtigplussers zijn. Hoe is dat voor u?

“Ik spreek niet graag over een ‘bekering’, dat doet geen recht aan mijn achtergrond. Bij mij was het ontdekken van de katholieke kerk en langzaam mijn thuis vinden in de dominicanenorde een proces van jaren. De bedoeling van intreden is gehoor geven aan het verlangen dat in je leeft. Voor mij was dat ook een verlangen naar eenheid: mijn christelijke geloof en mijn staan in de wereld samenbrengen, al levend werken aan een toekomst, aan geluk dat verder gaat en groter is dan alleen mijn leven. Intreden in een kloostergemeenschap is geen eindstation. Vandaag blijken enkele vrouwen in Nederland belangstelling te hebben voor ons dominicaanse leven. Daar ben ik oprecht blij mee. Niet omdat onze congregatie per se moet blijven bestaan, maar omdat ik ook anderen het geluk wens van een dagelijks leven waarin je vorm kunt geven aan een gelovig, evangelisch verlangen. Mooi ook dat mijn oudere medezusters voor hen openstaan en de moed hebben te kiezen voor toekomst. Verhalen over ordes en congregaties die alleen maar willen afbouwen en voltooien, maken me triest.” “Maar nieuwe mensen binnen krijgen, brengt ook een nieuw geluid en nieuwe ervaringen en wensen mee, mogelijk andere dan waarop werd gehoopt. In dat geval vraagt het veel tijd en aandacht elkaar te beluisteren en te begrijpen. Als een nieuwe generatie kloosterlingen ernaar verlangt om bijvoorbeeld oude vormen en tradities opnieuw te onderzoeken en ontdekken, kan bij sommige ouderen de angst naar boven komen dat alles wat zij ooit hebben vernieuwd, zal worden teruggedraaid. Ik probeer dat met nuance te bekijken. De klok kunnen we nooit achteruit draaien. Iedere tijd kent zijn genade. Als er nieuwe mensen willen intreden, dan vraagt dat van iedereen een open houding, vertrouwen en moed. Het zal een samen zoeken zijn, een herbronning, een nieuwe verbinding, de angst voorbij.”

Bron: Interview Holkje van der Veer met Tertio, naar aanleiding van uitkomen boek ‘Wees niet bang’
(novembereditie 2019)

4 Gedeeld

Laat een reactie achter