Christelijk sociaal denken en de zorg

Participatie in de zorg: een christelijk sociaal perspectief

De participatiesamenleving komt in de zorg op verschillende manieren tot uiting en levert allerlei nieuwe vraagstukken op. Denk aan patiënten die meer regie krijgen over hun behandeling, grotere nadruk op mantelzorg en mantelzorgondersteuning en het inzetten van vrijwilligers maar ook aan toenemende verantwoordelijkheden van zorgprofessionals. Door participatie op allerlei gebieden te stimuleren, worden mensen aangezet hun steentje bij te dragen aan de samenleving waardoor zij beter tot hun recht komen en waardoor veel bespaard kan worden. Critici stellen dat een participatiemodel ertoe kan leiden dat mensen die zorg of steun nodig hebben in de kou komen te staan doordat zij op zichzelf teruggeworpen worden.

De sociale leer van de katholieke kerk biedt een kader om het begrip participatie beter te begrijpen. Het biedt inspiratie om te reflecteren wat goede, menslievende zorg is en hoe die te organiseren binnen de actuele ontwikkelingen in de zorg in Nederland.

Christelijk sociaal denken

Het idee van participatie, in de betekenis van de mogelijkheid om met eigen handen te bouwen aan een goede wereld, heeft oude christelijke wortels. Door de geschiedenis heen is vanuit christelijk perspectief veelvuldig nagedacht over hoe een goede samenleving eruit zou moeten zien. Dit wordt christelijk sociaal denken genoemd. Vanaf het eind van de 19e eeuw droegen kerkleiders structureel ideeën uit over de organisatie van een goede samenleving. Zowel vanuit protestants-christelijke als vanuit katholieke hoek was er, ruim honderd jaar geleden, behoefte om op te komen voor de rechten van de grote groepen arme arbeiders die in de industriële revolutie het onderspit dreigden te delven. Dit leidde in 1891 in Nederland tot het Eerste Christelijk Sociaal Congres onder leiding van Abraham Kuyper. In de rooms-katholieke kerk schreef paus Leo XIII, eveneens in 1891, de encycliek Rerum Novarum over de rechten van arbeiders op onder meer een rechtvaardig loon en het vormen van vakbonden.

Sociale leer

Rerum Novarum  geldt als symbolisch startpunt van de sociale leer van de katholieke kerk. Sindsdien vaardigen pausen steeds opnieuw documenten uit met reflecties over wat op dat moment aandacht verdiende als de ‘sociale kwestie’ van die tijd. Die reflecties zijn gebaseerd op een christelijk geïnspireerde opvatting over wat een goede samenleving is. Thema’s zijn onder andere arbeid, ontwikkeling, huwelijk en gezin, economie en recentelijk ook ecologie, het thema van ‘Laudato Si’ van paus Franciscus. De sociale leer bevat aanwijzingen gericht aan de samenleving op elk niveau: van nationaal en zelfs internationaal niveau tot organisaties en gezinnen.

Opmerkelijk genoeg was de gezondheidszorg tot op heden geen afzonderlijk thema in de sociale leer. Toch is uit het geheel van documenten wel een visie af te leiden op goede zorg. Kijkend naar het thema participatie, de actuele sociale kwestie in de zorg in Nederland, dan is uit het christelijk sociaal denken een specifieke invulling van dat begrip af te leiden. Dat bespreek ik aan de hand van vier centrale begrippen uit de sociale ethiek.

Algemeen goed

Een eerste belangrijk uitgangspunt binnen christelijk sociaal denken is dat al het maatschappelijk handelen ten goede zou moeten komen aan de hele samenleving. Het moet gericht zijn op het algemeen goed en niet op het belang van individuele mensen, groepen of de overheid. Volgens het principe van het algemeen goed mag het dus niet zo zijn dat het welzijn of belang van de ene persoon of groep ten koste gaat van dat van anderen of dat mensen veronachtzaamd worden. De vrije markt is een goede zaak, mits gericht op het algemeen welzijn.

Kijkend naar zorg volgens een participatiemodel is dus de vraag of deze zo ingericht is dat ze bijdraagt aan het algemeen goed en het geen mensen veronachtzaamt. Bijvoorbeeld mensen die zorg nodig hebben maar door ziekte of beperking dat niet goed kunnen aangeven. Of denk aan het voorkomen van overbelasting van professionele zorgverleners of mantelzorgers.

Waardigheid

Een tweede uitgangspunt is de waardigheid van iedere persoon. Ieder mens is door God geschapen naar Zijn beeld en gelijkenis (Gen. 1, 26-27). Mensen ontlenen ook waardigheid aan hun opdracht om over de aarde te heersen (Gen. 1,28) en dus om de schepping voort te zetten door een zinvolle bijdrage te leveren aan de wereld. Dat niet doen, schaadt de waardigheid van mensen. Zo schreef Johannes Paulus II in 1981 in zijn encycliek Laborem exercens over arbeid in het licht van waardigheid van de mens. Deelnemen en bijdragen aan de wereld is dus niet alleen een plicht, maar ook een recht. Daarom heeft een samenleving de plicht om ieder mens in staat te stellen deel te nemen aan de wereld en er een zinvolle bijdrage aan te leveren. Of dat nu betaald werk is, onbetaalde zorg, grootse of juist bescheiden bijdragen, zolang het maar past bij die mens en diens vermogens. En vanwege de waardigheid van elke mens moeten we waken voor uitbuiting van wie dan ook.

Hierin klinkt een glashelder pleidooi voor participatie: de plicht en het recht om deel te nemen en bij te dragen aan de samenleving. Een samenleving heeft dus de plicht om mensen in de gelegenheid te stellen om te participeren. Door werkgelegenheid te creëren, ook voor mensen met een arbeidsbeperking of een zinvolle dagbesteding voor mensen die daarvoor afhankelijk zijn van anderen. Maar ook door sociale voorzieningen die mensen behoeden voor uitbuiting of overbelasting en die zorg voor elkaar mogelijk maken zónder dat mensen daardoor in armoede belanden.

Solidariteit

Om dit te realiseren ligt de nadruk steeds op solidariteit: het bieden van steun aan wie het minder goed heeft. Dit is een verantwoordelijkheid van iedere burger, familie, organisatie en overheid, vanuit naastenliefde. Daarbij is voortdurende aandacht nodig voor de vraag wie deze hulp op dat moment het meest nodig hebben want elke tijd en plaats kent mensen die niet of moeilijk kunnen deelnemen aan de samenleving. Mensen met weinig geld, zonder werk, zieken, mensen die eenzaam zijn of die uitgebuit worden.

Het begrip solidariteit heeft vaak de bijklank van betutteling. Echter, paus Benedictus XVI gaf in zijn encycliek Caritas in Veritate (2009) een betekenis aan solidariteit die juist te verstaan is in het kader van participatie: namelijk als hulp of zorg die erop gericht is dat iemand op zijn of haar manier kan deelnemen aan de samenleving zodat de waardigheid van diegene bevestigd of ondersteund wordt. Wanneer men andermans deelname aan de samenleving belemmert of afhankelijkheid in stand houdt, doet men afbreuk aan iemands waardigheid en zulke hulp is dus niet solidair.

Dit kan ons iets zeggen over verhoudingen tussen zorgverleners en zorgvragers. Voorheen waren zorgverleners geneigd om zaken over te nemen, waardoor zorgontvangers nodeloos afhankelijk werden. Daarom is de focus verschoven van ‘wat kunt u niet’ naar ‘wat kunt u wel’ en streven zorgprofessionals ernaar alleen te doen wat nodig is. Je zou dus ook kunnen zeggen: zorg richt zich op het ondersteunen en bevorderen van iemands participatie aan de samenleving zodat diegene een voor hem of haar zinvol leven kan leiden. Professionele zorg kan participatie namelijk ook doorkruisen doordat zorgvragers afhankelijk zijn van de orde van de organisatie.

Subsidiariteit

Het voorkomen van onnodige afhankelijkheid komt ook naar voren in het begrip subsidiariteit: verantwoordelijkheden en bevoegdheden dienen op een zo laag mogelijk niveau te liggen; en overheden en hogere organisatieniveaus mogen alleen verantwoordelijkheden overnemen als het niet anders kan. Met het oog op participatie van de betrokkenen maar ook omdat sociale voorzieningen beter passen als die van dichtbij georganiseerd worden door mensen met kennis van zaken. Deze gedachte zien we terug in de thuiszorg waar wijkverpleegkundigen de verantwoordelijkheid krijgen om zorg te indiceren.

Maar de betekenis van subsidiariteit kent nog een ander aspect namelijk ondersteunen waar nodig. Overheden of hogere organisatieonderdelen moeten mensen ook ondersteunen bij hun verantwoordelijkheden en bevoegdheden waar dat nodig is. Het subsidiariteitsprincipe biedt handvatten om leiderschap in de zorg vorm te geven. Met name de langdurende zorg beweegt richting zelfsturing en zelfregulering. Daarmee krijgen professionals meer verantwoordelijkheden en handelingsvrijheid maar komen zij ook op nieuwe manieren onder druk te staan. Deze beweging vraagt om een nieuwe vorm van leiderschap waarbij subsidiariteit naar mijn idee een sleutelbegrip kan zijn.

Professionele zorg en mantelzorg

Tegelijkertijd geven de begrippen subsidiariteit en solidariteit richting aan nieuwe verhoudingen tussen zorgprofessionals en mantelzorgers. De actuele ontwikkelingen sturen op een groter aandeel in zorg vanuit het eigen netwerk van zorgvragers en een kleiner beroep op professionele zorg. Tegelijkertijd wordt de noodzaak van ondersteuning van mantelzorgers steeds zichtbaarder.

Professionele zorg is ook in te vullen als ondersteunend aan de bestaande zinvolle relaties waarin de zorgvrager betrokken is. En dat we deze netwerken niet (onbedoeld) doorsnijden bijvoorbeeld doordat de orde in de instelling waarin iemand opgenomen is. Voor zorgorganisaties en professionals zou naast het uitvoeren van (complexe) zorghandelingen ook een taak kunnen zijn om zorg zo te organiseren dat mensen kunnen blijven deelnemen aan hun netwerk maar ook dat ook hun naasten ondersteund worden in hun relatie tot de zorgvrager.

Het christelijk sociaal denken zou goed als moreel kompas kunnen dienen voor de participatie in de gehele zorgsector.

Drs. M.C.E. (Marcia) Smits is stafmedewerker bij Reliëf, christelijke vereniging van zorgaanbieders. Zij verzorgt scholing en advies op het gebied van ethiek en identiteit bij zorgorganisaties. Marcia is theoloog en (niet-praktiserend) verpleegkundige.

msmits@relief.nl

Laat een reactie achter