De cirkel van geborgenheid

 

Responsiviteit en basisvertrouwen

Autonomie en afhankelijkheid zijn met elkaar vervlochten zoals het lichaam met haar ziel. In afhankelijkheid worden we geboren op weg naar ons doel van autonoom verbonden zijn. De hechtingstheorie – van veilig of onveilig gehecht zijn – biedt het kader van waaruit de cirkel  van geborgenheid vorm zal krijgen.

In onze basisafhankelijkheid zoeken we de weg naar verbinding en hechting. Het meest bepalend voor hoe we ons hechten, is de reactie van de ouder(s) op de afhankelijkheid van het kind. Een bevestigende of een afwijzende reactie op de kwetsbaarheid van het kind is cruciaal voor het basisvertrouwen. Bij bevestiging voelt het kind dat het er mag zijn en groeit het gevoel van geborgen zijn. Bij afwijzing wordt onveiligheid gevoeld, ontstaat er verwarring en angst en de neiging tot terugtrekken. De als vanzelfsprekend verwachte respons van de ouder(s) op het kind bepaalt veel op weg naar zelfstandigheid en autonomie. Het temperament van het kind bepaalt óók voor een deel hoe een ouder reageert naast de persoonlijkheid van die ouder zelf. Responsiviteit als basis voor hoe wij als mens opgroeien en onze relaties in het leven vormgeven. Ouders die veilig gehecht zijn, reageren evenwichtig responsief op hun kind. Door het kind basisvertrouwen te geven, geven ze hun veilige hechting door aan het kind. Basisvertrouwen en basisveiligheid  worden  dan wederzijds verankerd en de cirkel van geborgenheid is ontstaan. Ouders die niet veilig gehecht zijn, geven dat – vaak onbewust –  ook door aan hun kinderen.  Door afwijzing kan  de daaropvolgende reactie van hulpeloosheid, bij een continu niet-bevestigd-worden, eindigen in een basisgevoel van onmacht. De cirkel van geborgenheid kan dan niet ontstaan met alle consequenties voor de relatievorming in het latere leven. Afhankelijkheid en het zoeken naar geborgenheid blijft dan bestaan. Het sociale vangnet krijgt dan een andere plaats en betekenis in het leven. In het katholiek sociaal denken is geborgenheid een belangrijk uitgangspunt. De stadia naar autonomie worden daardoor bepaald. Het tot bloei komen van eigen talent en de sociale realisatie is hiermee een uiting van een veilige of onveilige hechting.

Onvoorwaardelijkheid als voorwaarde

Afhankelijkheid als de kwetsbare start met autonomie als het hoogst haalbare. De ouder die het kind ontvangt vanuit onvoorwaardelijkheid, zit in het laatste stadium van autonomie. Vanuit het oogpunt van onvoorwaardelijke liefde is er geen negeren, eisen stellen of verwachtingen creëren mogelijk. Omarmd worden door de ander om niet, is dan een deel van de cirkel van geborgenheid. Het gegeven dat we mens zijn, vraagt om dit onvoorwaardelijke mededogen. Barmhartigheid kan in de menselijke vorm betekenen dat we de ander om niet bijstaan in zijn of haar hulpvraag. Het onder ogen zien van feilbaarheid, zonder te veroordelen; dan naderen we het Goddelijk voorbeeld. De relatie van God tot de mens is  een geborgenheid zonder voorwaarden. Wordt het begin of einde van een relatie niet bepaald door barmhartigheid? Mededogen is het meest indringende besef van waardigheid naar elkaar. Als voorwaardelijkheid de cirkel van geborgenheid doorbreekt, heeft de kwetsbare geen kans op evenredigheid in de relatie. Spijt – als bewustwordingsstadium op weg naar autonomie – kan dan nodig zijn om weer in de cirkel van geborgenheid opgenomen te worden. Mededogen en spijt als voorwaarde voor vergeven. Onvoorwaardelijk eerst je hart openstellen voor de ander, om pas daarna met ratio en/of gevoel te reageren.

Barmhartigheid en mededogen

Barmhartigheid is het laveren tussen de ‘’regels’’ en de uitzondering die voor je staat. Wij zijn het zelf die niet kunnen vergeven en vergeten. Barmhartigheid en menswaardigheid gaan hand in hand. Creëer ruimte voor de ander in denken en doen. Bij het doorbroken worden  van de cirkel van geborgenheid is er afhankelijk van de gehechtheidsstijl, nog ruimte voor herstel en wederopbouw. Vergeving komt dan om de hoek kijken, naast spijt. Dit hoeft niet wederkerig te zijn om tot herstel van geborgenheid te leiden. Spijt is het besef en gevolg van autonoom bewust-worden. Het kind mag van het vader- en moederschap een onbegrensde barmhartigheid verwachten binnen een rechtvaardige regelgeving. Die verwachting kan ruw worden verstoord als er geen responsiviteit is op de vraag om aandacht en verzorging. De weg naar autonomie vraagt om een groeiend bewustzijn, begrip en acceptatie. In het groeiproces zal het kind de feilbaarheid van de ouder(s) tegenkomen. Het is eigen aan een groter wordend bewustzijn en een noodzakelijk verlies  van illusies. Iedere menselijke verbintenis kent forse feilbare momenten. Onvolledige wederkerigheid, veroordelen en vooral afwijzing zijn ruwe uitingsvormen van de menselijke maat. Barmhartigheid is er dan, als het gedane niet meer wordt meegenomen in het oordeel van of naar de ander toe. Het afbakenen van het handelen kan nodig zijn. Het al dan niet evenwichtig opbouwen van de cirkel van geborgenheid gebeurt in de jonge levensjaren. Bij het verlaten van de ouder(s) om zich te binden aan een ander, zal blijken hoe die cirkel van geborgenheid vorm heeft gekregen. Het eerste welkom en de ontmoeting met de ander, daaruit blijkt hoe en wie we zijn. Verbondenheid met anderen vanuit het vertrouwen in jezelf, dáár begint het creëren van een evenwichtige relatie. Hoe  sterker  de  cirkel  van  een  veilige  geborgenheid, des te minder zal er een psychische kwetsbaarheid ontstaan.

Verbintenis met de Ander

Een verbintenis is daar, waar de ander vanuit autonomie, maar vooral in afhankelijkheid, een beroep op jouw doet. De ander als mens en de Ander verwijzend naar God zijn twee dimensies die wij in ons verenigen. Ik in de Ander en de Ander in mij als een verbindend samen zijn. Maar ben ik vrij en autonoom als ik een verbintenis aanga? De Joods-Christelijke filosofie van Emmanuel Levinas biedt ons een kader van het Gelaat van de Messias als beeldende voorstelling van hoe wij God in de ander kunnen zien, maar ook van hoe diffuus God kan zijn als die ander in de verbintenis er tijdelijk of langdurig niet meer – liefdevol – kan zijn en de cirkel van geborgenheid doorbroken wordt. Een verbintenis is een verplichtende relatie. Het gelaat van de ander doet een dwingend appèl, vooral als die afgebakend is door de afhankelijkheid van het kindschap of de verbintenis van het huwelijk. Het (aan)kijken en het zien van het gelaat van de ander, kan en mag ons niet onberoerd  laten. Als een autonoom morele ervaring wordt de mens de Ander gewaar in het gelaat. Het is mijn bezield zijn door de a/Ander over hoe ”aangesproken” ik word door die ander. Wie gaat voor in mijn reageren; diegene die toevallig een appèl op mij doet of diegene waarbij ik reeds een verbindende afspraak heb?

Verantwoordelijk en geborgen

Bij taakwijzigingen en een andere rolverdeling van echtgenoot naar moeder  of vader, wie gaat wanneer voor? In de concreetheid van de aanblik van de ander, daar waar je de ander kan zien, wordt de theorie van het geloof zichtbaar. De inhoud van het appèl dat de ander op mij doet, maakt mij verantwoordelijk en verwijst rechtstreeks naar het religieuze besef dat God in de mens werkzaam is. Levinas spreekt over een ”uitverkiezing tot een oneindige verantwoordelijkheid” waarbinnen autonomie en afhankelijk elkaar dragen. Maar is een verbintenis pas gelijkwaardig als die twee in balans en evenwicht zijn? Mijn verantwoordelijkheid voor de a/Ander is de kern van een verbintenis. Alleen in een rechtstreekse relatie kan God zich zo concreet openbaren. Verantwoordelijkheid is geen ethisch-religieuze theorie maar een menselijk groeiend bewustzijn. Dit bewustzijn dat gevormd kan worden door het niet-opgeven, en het afzien van direct begrip is soms moeilijk volgbaar voor de ander.

Dr. Annemaaike Serlier-van den Bergh, klinisch neuropsycholoog BIG

Laat een reactie achter