Mobiel aan of uit?

Door: Marja Wittebols, medewerker bij Stichting de Vonk.

“Wilt u uw telefoon uitzetten?” Deze vraag wordt ons meerdere keren per week gesteld. Soms met een verbodsbord, soms met een vriendelijke vraag, meestal wordt er impliciet of boos, soms zelfs wordt er minachtend gekeken als de mobiele telefoon toch afgaat. Het is natuurlijk ook wel lekker als hij af en toe even uitstaat en je zeker weet dat je niet gestoord wordt. Het schijnt dat er mensen zijn die bij overbelasting bewust of onbewust hun telefoon vergeten of kwijt raken. Sommige mensen gebruiken het uitzetten van hun telefoon als een vorm van vasten.

Maar toch… als ik een vergadering voorzit of een cursus geef, zeg ik altijd dat de telefoon van de deelnemers aan mag blijven staan, maar vraag ik of ze hem wel op de trilstand willen zetten. Misschien hinderlijk voor de bijeenkomst maar toch… in onze tijd kan het niet anders. Natuurlijk hebben we in een paar jaar tijd onze communicatie-etiquette moeten aanpassen toen de apparaatjes steeds mobieler werden en vooral steeds meer gebruikt werden. Het is niet fijn als mensen altijd en overal zich laten onderbreken door aandachtvragende ringtones en die dan luidkeels beginnen te beantwoorden, alsof de rest van de wereld om hen heen in een mist verdwijnt. “Zo asociaal…”, hoor je dan vaak.

Maar wie kan nog zonder? Ik niet… Niet omdat ik zo graag bereikbaar wíl zijn, maar omdat ik bereikbaar móét zijn. Ook niet omdat ik geen leuke berichten wil missen, maar voor noodgevallen. In een samenleving die van mij vraagt dat ik economisch zelfstandig ben en dus moet (en wil) werken én mantelzorger moet (en wil) zijn én participerende burger moet (en wil) zijn, kan ik niet zonder telefoon. U en ik leven in een samenleving waarin je beschikbaar moet zijn om van de nood van een ander op de hoogte te zijn en in te grijpen als we kunnen. Óf we dat ook kunnen, maken we niet zelf meer helemaal uit.

Immers, er wordt beschikbaarheid van ons verwacht. Door de school van de kinderen, als er een ziek is die opgehaald moet worden. Door het alarm van mijn moeder, als ze valt en er een hulpdienst gewaarschuwd moet worden. Door mijn zelfstandig wonende, alleenstaande buurvrouw van 87 zonder beschikbare familie in de buurt, die het soms even niet meer weet en in paniek is. Door de buurt-groep-Whatts-app, als iemand vergeten is een raam te sluiten, terwijl het regent. Door de Burgernet-berichten van de politie, die mij nodig heeft als er een overval in mijn buurt is gebeurd. Door het NL-alert, als er een ramp gebeurt. Alert en beschikbaar. Dat moeten én willen we zijn, anders loopt er veel mis.

Ik heb niet de insteek hier een klaagzang op te houden over de mobiele telefoon. Ik wil juist  zeggen dat over deze tijd gepraat wordt alsof ieder voor zich leeft en alleen eerst de eigen belangen wil veiligstellen maar aan de boven beschreven situaties zie ik juist dat we nog nooit zo dichtbij elkaars nood konden zijn als nu. Als de telefoon niet afgaat, kunnen we gerust zijn en ervan uitgaan dat alles goed is. Als hij wel van zich laat horen, kunnen we ingrijpen, of iemand anders waarschuwen die dat voor ons doet. Zo worden solidariteit, subsidiariteit, menselijke waardigheid en het algemeen welzijn met heel veel kleine apparaatjes vorm gegeven en ten uitvoer gebracht.

Maar dan moeten we niet meer boos kijken als er ergens een telefoon klinkt. Zie het als de Sociale Leer, maar dan in de praktijk. Dus laat die telefoon maar aanstaan, graag op trillen, en zoek een andere manier van vasten!

0 Gedeeld

Laat een reactie achter