Ondergeschoven normatief beoordelingskader: het natuurrecht

Wanneer de uitkomst van een juridische procedure ophef veroorzaakt – men denke aan een beslissing van de strafrechter dat bewijs voor een bepaald strafbaar feit niet als zodanig mag worden gebruikt op de enkele grond dat het onbevoegdelijk is verkregen –, worden juristen geregeld geconfronteerd met het soort reactie waar zij op hun beurt kriegel van worden: ‘Dit is toch geen recht meer?’

Losgezongen

Deze irritatie onder juristen lijkt te berusten op het besef dat dan plotseling bij hen baan breekt dat in hun gereedschapskist iets ontbreekt: een normatief beoordelingskader aan de hand waarvan het daarin voorhanden gereedschap, rechtsregels, worden getoetst alvorens te worden gebruikt. Hierin staat het recht bepaald niet alleen. Ook andere mens- en maatschappijwetenschappen lijken hun normatieve beoordelingskader buiten de deur te hebben gezet. Dat moge blijken uit de helden die hun beoefenaren koesteren:

– Held van de politicologen is Machiavelli, de Florentijnse politiek denker die in het begin van de 16e eeuw de bestuurders van zijn stadstaat voorhield dat in de politiek het doel de middelen heiligt. De vorst die daarin slaagt betoont ‘mannelijkheid’. Daarmee brak hij radicaal met de gangbare normatieve politicologie: de vorst betrachte het gemeenschappelijk welzijn, het ‘bonum commune’, zo werd aanstaande vorsten steevast voorgehouden in vorstenspiegels.

– Held van de economen is Adam Smith, de achttiende-eeuwse Schotse pionier van de politieke economie die de hoge kwaliteit van het brood van de bakker niet alleen aan diens rechtvaardigheid toeschreef, maar ook aan diens streven naar winst. Omdat elke mens naar winst streeft, zou een ‘invisible hand’ de werking van markten tot ieders voordeel sturen. Daarmee brak deze hoogleraar moraalfilosofie met de gangbare normatieve economie.

Het lijkt erop dat de mens- en maatschappijwetenschappen de afgelopen eeuwen van hun normatieve kaders zijn losgezongen. Mens en maatschappij zijn, zoals ook al blijkt uit hun benaming ‘mens- en maatschappijwetenschappen’, gaandeweg tot voorwerp van onderzoek gemaakt op de wijze waarop de natuur dat is in de natuurwetenschappen.

Bezwaren

Aan deze  ‘wetenschappelijke’ insteek kleven bezwaren. Zo reduceert de onderzoeker de rest van de mensheid tot onderzoeksobject op basis waarvan hij wetten van descriptieve aard opstelt en zal hij geneigd zijn over het hoofd te zien dat mensen zich door hun verstand, vrije wil en geweten van (de rest van) de natuur onderscheiden.  Een vrije wil en geweten worden thans ook met zoveel woorden ontkend.  Voorts plaatst de onderzoeker zichzélf zo als het ware buiten de rest van mensheid, waarmee hij vragen van morele aard die onvermijdelijk op elke mens afkomen, lijkt te kunnen negeren. Ten aanzien van het recht doet dit ontbreken van een normatief beoordelingskader zich temeer gevoelen, aangezien het zich naar zijn aard met normen bezighoudt en in zijn benaming verwijst naar rechtvaardigheid.

Van wélk normatief beoordelingskader is het recht losgezongen? Niet zozeer van genoemde rechtvaardigheid. De ‘dikaiosune’ mag dan een klassieke of kardinale deugd zijn die ons terecht voorhoudt een ‘midden’ (‘mesotes’) aan te houden en ieder het zijne (‘kat’ axian’) te geven, maar zij biedt geen toereikende maatstaf voor het voor de mens belangrijkste deel van het recht, het recht dat hem in zijn persoon raakt. Daartoe dient men te rade te gaan bij het natuurrecht.

Natuurrecht

Natuurrecht is recht dat geldt voor het morele gedrag van de mens omdat het, zoals de mens met zijn voor hem kenmerkende verstand kan begrijpen, al uit diens natuur voortvloeit.  Omdat natuurrecht , zoals deze benaming ook aanduidt,  al uit de natuur van de mens voortvloeit, is het maatgevend voor het zogenaamd positieve recht, dat is het door de overheid gestelde recht dat, anders dan het natuurrecht, per staat kan verschillen. Een tweetal proeven van natuurrechtelijk denken die ook doen uitkomen dat het eerder beginselen poneert dan concrete uitwerkingen: aangezien in een ongeboren kind de volwassene al in potentie aanwezig is, moet het die potentie kunnen verwezenlijken; aangezien de mens van nature een sociaal wezen (‘zoon politikon’) is, behoort diens uitbloei tot  zo’n wezen te worden bevorderd.

In de natuurrechtelijke wijze van denken die ten tijde van de Amerikaanse Revolutie en de Franse nog gemeengoed was, is nadien de klad gekomen: in de 19e eeuw waarin het natuurrecht, anders dan thans, nog aan universiteiten werd onderwezen, werd de betekenis ervan gerelativeerd door Duitse juristen die benadrukten dat het recht in de eerste plaats de geest van het volk uitdrukt waaruit het is opgeweld of niet meer dan de uitkomst van botsende maatschappelijke belangen is. In de 20e eeuw, waarin het natuurrecht uit het universitaire curriculum werd geschrapt, overheerst onder Westerse rechtsfilosofen de opvatting dat recht niet meer is dan het door een hiertoe bevoegde overheid gestelde recht (rechtspositivisme) en wordt het natuurrecht, als het al niet  wordt beschouwd als ’nonsense upon stilts’, smalend afgedaan als niet te verifiëren ‘metafysica’, ‘essentialisme’ of ‘biologisme’.

Aan deze opvatting van recht die het natuurrecht en zelfs elk normatief beoordelingskader buiten de deur houdt, kleven forse bezwaren: Waarop is recht bij gebrek van een extern normatief beoordelingskader gebaseerd? Bij gebreke van zo’n kader dreigt het gevaar infiniet regres. Rechtspositivist Hans Kelsen heeft geprobeerd dit te bezweren met de noodgreep van een door hem veronderstelde hoogste norm (‘vorausgesetzte Grundnorm’) als grondslag van alle van overheidswege gestelde (‘gesetzte’) regels.

Dichter op de huid is de vraag hoe met onmenselijk positief recht om te gaan zoals dat van de Communistische Partij in de USSR onder Lenin en Stalin of dat van de Nazi’s: dat is toch óók door de desbetreffende overheid gesteld recht?

Het natuurrecht laat zich, zo is gebleken, niet straffeloos uit het recht verdringen. Toen de Geallieerden de Nazi-kopstukken voor hun oorlogsmisdaden wilden berechten en niet zo snel een strafbepaling konden vinden die aan de ernst van hun daden beantwoordde, berechtten zij hen, in weerwil van het zogenaamde ‘nulla poena sine preavia lege poenali’-beginsel op grond van een bepaling die ten tijde van deze daden niet was uitgevaardigd: ‘misdaden tegen de menselijkheid’.

Laat een reactie achter