Waar is de vonk tussen overheid, burger en gemeenschap gebleven?

Relatie burger – overheid

Een centraal vraagstuk bij de inrichting van een samenleving is het vormgeven van de relatie tussen de overheid, burgers en gemeenschappen. Net als een relatie tussen personen, moet deze relatie steeds opnieuw worden geduid, gevoed, hernieuwd, herontdekt, onder spanning worden gezet en tot en nieuwe harmonie komen. Meer dan het sluiten van een statisch en ultiem ‘sociaal contract’ gaat het in de relatie tussen overheid, burgers en gemeenschappen om een dynamisch en dialectisch proces van vallen en opstaan.

De huidige relatie tussen overheid, burger en gemeenschap is in Nederland en veel andere Europese landen geen gelukkige. De relatie lijkt op die tussen de man en zijn vrouw in het gedicht “Het Huwelijk” van Willem Elsschot. De bekendste frase daaruit is “…tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren”. Vaak wordt deze frase aangehaald om aan te geven hoe wetten en praktische bezwaren iets moois in de weg zitten, maar in het geval van “Het Huwelijk” van Elsschot is het maar goed dat ze er zijn: ze beletten in dit geval de man in het gedicht om zijn vrouw – die oud en versleten is geworden, zonder vonken in haar ogen – dood te slaan:

Maar doodslaan deed hij niet, want tussen droom en daad
staan wetten in de weg en praktische bezwaren,
en ook weemoedigheid, die niemand kan verklaren,
en die des avonds komt, wanneer men slapen gaat.

Ook uit de man verdwijnen uiteindelijk in het gedicht de vonken uit de ogen:

Zo gingen jaren heen. De kindren werden groot
en zagen dat de man die zij hun vader heetten,
bewegingloos en zwijgend bij het vuur gezeten,
een godvergeten en vervaarlijke aanblik bood.

Een vrouw zonder vonk, een man zonder vonk, een relatie zonder vonk. Is dat ook het lot van de relatie tussen overheid, de burger en de gemeenschap in het Nederland en Europa van 2017 en verder?

De burger lijkt makkelijker af te geven op zijn overheid dan ooit, waarbij de digitale revolutie de drempel om uiting te geven aan ongenoegen flink heeft verlaagd. Technologisch vooruitgang en sociale verheffing blijken geen onverdeeld gelukkig liefdespaar. Hoewel het aantal daadwerkelijke politiek moorden gelukkig uitzonderlijk blijft, viert de digitale variant van middeleeuws gedachte lynchpartijen hoogtij. Voor het leveren van kritiek op de overheid staan in korte tijd hordes klaar, voor het in dienst treden meldt bijna niemand zich meer aan. Niet zo gek: de burger lijkt zijn overheid soms wel dood te willen slaan.

Relatie overheid – burger

Veel compassie voor de individuele burger lijkt de overheid op haar beurt ook niet te hebben. In beleidsproza wordt steeds vaker gesproken over ‘eigen kracht’, waarachter echter een kille werkelijkheid van snel afbrokkelende sociale voorzieningen en toenemende armoede en kwetsbaarheid schuil gaat. Waar eigen initiatief wordt getoond door de burger met idealen, wordt dit niet zelden ontkracht of vermorzeld onder de ‘wetten en praktische bezwaren’ van de overheid of beantwoord met een snel terugtrekken van de inbreng van die overheid.

En de gemeenschap? “There is no such thing as society”, zei Margareth Thatcher als premier van het Verenigd Koninkrijk in de jaren 1980. Als het gaat om gemeenschapszin, is het inderdaad goed zoeken waar die is gebleven anno 2016. Oude identiteiten en verbanden zijn los gelaten, maar nieuwe nog niet duidelijk daarvoor in de plaats gekomen. Of ze zijn veel vluchtiger, onzekerder en oppervlakkiger dan voorheen. Het grootste vriendennetwerk van de wereld heet “Facebook”, maar het persoonlijke leven van de oprichter is gekenmerkt door moeizame en gebroken vriendschappen. Twitter maakt het mogelijk in korte tijd massa’s te bewegen, maar is zelf al weer op zijn retour als instrument voor intermenselijk contact. Het hebben van een baardje en tattoo lijkt te breed verspreid om nog ‘hip’ te zijn en Starbucks ontwijkt wel erg veel belasting voor dat trendy kopje koffie.

Nieuwe gemeenschappen

Voor zover nieuwe gemeenschappen ontstaan, lijken ze nog maar beperkt de rol te vervullen die voor de inrichting van een samenleving het ‘cement’ mag heten: een brug slaan tussen de individuele burger en de boven personen gestelde staat.

Hoe gemeenschappen zijn en zich ontwikkelingen is van belang voor hoe burgers en de overheid zich ontwikkelen. De huidige spanning in de relatie tussen overheid, burger en gemeenschap is in deze zin niet alleen negatief te beoordelen, maar als een kans om te ervaren hoe belangrijk gemeenschappen zijn. Misschien is het wel als met dat oude stel dat al kibbelend door het leven ging, totdat iemand zij: ga nou eens een tijdje uit elkaar. Dat deden ze en na een dag misten ze elkaar. Om vervolgens wel weer meteen kibbelend door het leven verder te gaan….

Een gemeenschap vormen is niet eenvoudig. Dat ervaren we tot op het kleinste niveau van de huiselijke kring; er bestaan familieprogramma’s die goed draaien op het weer bij elkaar proberen te brengen van familieleden die in onmin met elkaar leven. Ook binnen ideële organisaties is niet alles koek en ei. Het weer terugkrijgen van de vonk tussen overheid, burger en gemeenschap begint waarschijnlijk toch daar: waar er weer een vonk is tussen een burger en een gemeenschap, kan een vonk overslaan naar de relatie met de overheid.

Wat burger en gemeenschap voor elkaar kunnen betekenen is goed samengevat in het personalisme: een gemeenschap helpt een individu een waardevol persoon te zijn, die door anderen wordt erkend en op zijn of haar beurt iets betekent voor anderen. Met een religieuze dimensie erbij kan het zijn: erkend worden door de ander en Ander en iets betekenen voor die ander en Ander. Hiermee stijgt de burger uit boven het puur individuele. Dat geeft beschutting wanneer er onzekerheden zijn, die zich veel voordoen voor de burger in het Europa en Nederland van 2017. De zekerheden die in de afgelopen decennia zijn opgebouwd in onze welvaartstaat lijken ineens snel te verdwijnen: werk en sociale rechten zijn onzeker geworden, recht op hulp en ondersteuning ondervinden de effecten van forse bezuinigingen en de waarde van pensioenen blijken ook niet meer zo vanzelfsprekend.

Maar beschutting alleen geeft nog niet de vonk waarnaar we op zoek zijn. De vonk zal moeten komen van nieuwe idealen, die een aanlokkelijk toekomstperspectief bieden en waaraan individuele burgers willen en kunnen bijdragen in nieuwe gemeenschappen. Welke toekomst durven wij voor onze maatschappij te dromen? Durft de overheid deze toekomst in samenwerking met gemeenschappen van burgers te schetsen? “Zonder visie verwildert het volk”, met een visie kan nieuwe binding en verbinding ontstaan. Zo’n visie hoeft geen Utopia te zijn, dat leidt tot teleurstelling of verlichte dictatuur. Maar bouwen aan dingen die er nu niet zijn en we missen kan mensen enthousiasmeren en in een positieve beweging zetten. Misschien dat we ook niet zozeer moeten dromen over onze toekomst, maar beseffen hoe waardevol de realiteit al is, omdat we goede dingen doen en kunnen doen als overheid, burger en gemeenschap gezamenlijk. Daarin zullen we elkaar moeten verdragen, geduldig zijn en tevreden met iedere stap die we samen maken.

Dan wordt de relatie tussen overheid, burger en gemeenschap minder zwaar en perspectiefloos als in “Het Huwelijk” van Elsschot, maar wordt deze licht en toch perspectiefvol als in het gedicht “Nader tot Haar” van Finkers:

Ik droomde van m’n vrouw,
We lagen dicht bij elkaar in ons bed.
In die droom die ik al dromende,
Voor waar hield.

Toen werd ik wakker naast m’n vrouw,
We lagen dicht bij elkaar in ons bed.
En de droom leek iets dat mij alleen maar,
Ver van haar hield.

0 Gedeeld

Laat een reactie achter