Skip to content

Meester, kun je een ziel zien?

Meester, kun je een ziel zien?” De vraag van Jaap hangt na vijftig jaar nog als een dierbaar schilderij in m’n hoofd. Ik was beginnend onderwijzer op een spiksplinternieuwe school in een even nieuwe wijk in Emmen. De idealen van de jaren zestig waren voelbaar. 

De benoemingsvoorwaarde was simpel: dagelijks met elkaar koffie drinken en tijd nemen om op adem te komen, te ontspannen en vooral om met elkaar te bespreken wat je moest doen als je niet meer wist wat te doen. Dat was ons kwaliteitssysteem. 

Met de kinderen werkten we in het pedagogisch spoor van Langeveld aan wat we ‘verantwoorde zelfregulatie’ noemden. En dus hadden we dagelijks een blokuur waarin kinderen zelf mochten kiezen wat en hoe ze iets gingen doen en met wie ze dat gingen doen. 

We maakten er veel werk van om met de kinderen na te denken en te oefenen om zinvol en verantwoord bezig te zijn. De ontwikkeling van een gemeenschappelijk pedagogisch ethos, van een innerlijk kompas, was een centrale teamopdracht.

Ziekenboeg

Tijdens zo’n blokuur vloog met een doffe dreun een jonge merel tegen het raam. Met gespreide vleugels lag ie op de grond. ,,Ik ga hem halen”, zei Herman.  In z’n handpalm met het kopje naar buiten nam hij het beestje mee naar binnen. Stil dromden steeds meer kinderen om hem heen. ,,Hij leeft nog; ik voel het!” zei Herman. 

En toen ontstond de ziekenboeg als vanzelf. Er werd een schoenendoos gevuld met watten uit de verbandtrommel. Kinderen, die graag visten, wisten hoe ze wormen moesten steken. Liesbeth maakte een rooster om de wacht te houden. Herman groeide uiteraard uit tot hoofd van de intensive care. Met enige regelmaat inspecteerde hij de ziekenboeg en voelde of ’t hartje nog klopte. Ineens pakte hij het verschrikt op. ,,Meester, hij doet het niet meer. Ik voelde hoe het stopte.”

Opnieuw kinderen om hem heen en toen kwam ineens die vraag van Jaap: ,,Meester, kun je een ziel zien?” Ik schreef de vraag van Jaap op het bord:,,“Kom eens bij me zitten. Wat kunnen we aan Jaap zeggen?” 

Jaap zelf geeft de aftrap: ,,Toen ik Herman met dat dode vogeltje zag, moest ik aan mijn konijn denken, dat ook dood ging. Dan verdwijnt er iets. Mama zegt, dat dat de ziel is.” Er volgen tal van verhalen over doodgaan. ,,Ik denk, dat de ziel een soort lijm is. Als iets dood is, dan valt alles uit elkaar.” De intensiteit van dat gesprek met kinderen van bijna een halve eeuw geleden bewaar ik als een schat: onderwijzen, het wonder wijzen.

De ziel

Vooral dat zinnetje over de ziel als de lijm in je leven, die de boel bij elkaar houdt, vind ik goud waard. Ontmoet een ander, ga een huis, een school of bedrijf binnen en je voelt of er een ziel als lijm is. De ziel kun je niet pakken, wel beleven. Je kunt hem kwijt raken maar ook weer laten opleven. 

De ziel is niet alleen individueel maar ook gemeenschappelijk. Hij was bij Herman, Jaap en Liesbeth maar ademde ook in de hele groep. Overal kenmerkt de ziel het verschil tussen dood en leven. De herinnering is me m’n hele leven bijgebleven en inspireert nog steeds. Ik zoek naar antwoorden op twee vragen: Wat is nou die ziel? En, wat moet je als individu, als organisatie, als samenleving doen om de ziel levend te houden? Noem dat laatste maar ‘zielzorg’. 

Twee paarden

Sinds Plato kennen we de ziel vooral als een wagenmenner die z’n levensweg zoekt door de krachten van twee paarden in evenwicht te houden. In het christendom bestaat de mens uit geest, ziel en lichaam. 

Deze driedeling kun je ook op het beeld van Plato toepassen. Dat we in ons leven met tegengestelde krachten te maken hebben is vermoedelijk een tamelijk universele ervaring. Ik ervaar die tegengestelde krachten vaak als een seculier en religieus paard in me. 

Dat verdient een toelichting die ik in onderstaand citaat vond. Het komt uit het boek van Paul van Tongeren, Ruimte voor maatschappelijke spiritualiteit. De twee paarden zijn dan de polen die de mens in twee tegengestelde richtingen trekken.

‘De verbinding van religieus en seculier is onvermijdelijk een spanningsverhouding. De beide polen trekken de mens in tegengestelde richtingen: naar binnen en naar buiten, naar afzondering en naar geëngageerde deelname, naar zuivering en naar de bereidheid om vuile handen te maken.
Maar alleen de spanning die daaruit voortkomt, kan het beoogde effect hebben. Die spanningsverhouding moet daarom uitgehouden worden en tegen twee tegengestelde pogingen om haar op te lossen worden verdedigd.
Het seculiere kan evenmin aan het religieuze worden opgeofferd als het religieuze aan het seculiere. Het laatste leidt tot immanentisme en functionalisering (een weekendje 
mindfullness om weer even bestand te zijn tegen de hectiek van het alledaagse maatschappelijk leven – dat daardoor echter niet verandert); het eerste leidt tot een verlies van betekenis en in het slechtste geval tot een zelfvoldaan isolement. Alleen in de spanning van de combinatie ligt haar succes, zoals alleen de juist gespannen snaar de goede toon voortbrengt.’ 

De waartoe-vraag

Ik zou geen van beide paarden willen missen. Het is juist de spanning van die krachten die ik als de ziel van het bestaan ervaar. Daar hoeven we niet al te hemels over te doen. Juist niet. De afstemming van m’n dagelijkse werk met m’n verlangen naar een zinvol en daarom gelukkig bestaan in geloof, hoop en liefde ervaar ik als de spil van m’n leven. 

De toenemende verbanning van het religieuze naar het strikt particuliere domein beleef ik als dramatisch, als het betonrot van onze samenleving. We verstaan elkaar vaak slecht in waar het ons om te doen is. 

 Geloof, hoop en liefde en in dat spoor ook de andere klassieke deugden worden vastgeklonken aan als verouderd beschouwde religies en daarmee raakt ook de waartoe-vraag voor elke school buiten het zichtveld. 

Dan zie je het gebeuren: de meer kwalitatieve aspecten van onderwijs als karaktervorming en socialisatie worden in een cultuur van meten voor de vrije markt gemarginaliseerd. Het seculiere paard trekt de wagen van de gulden middenweg. We moeten het opnieuw in onze scholen hebben over waar we in geloven, waar we op hopen, en waar we warm voor lopen. De actuele discussie over artikel 23 kan daar mogelijk bij helpen.

Naast de herinnering aan de dood van de merel, herinner ik me ook nog hoe we destijds met ons team een voortdurende focus hadden op die waartoe-vraag: Waar geloven we in voor onze kinderen, voor onze samenleving?  

Denkers als Teilhard de Chardin (Het goddelijk milieu, 1962)hielpen ons daarbij. Wanneer ik nu teksten van hem in een tijd van leerlingenstakingen rondom de klimaatcrisis opnieuw lees, merk ik – ondanks een gedateerde taal – hoe actueel ze zijn:  

“Het schijnt dat in de loop der eeuwen een alomvattend plan zich rondom ons voltrekt. Er is een proces gaande in het heelal, er staat  een resultaat op het spel en wij kunnen een en ander het best vergelijken met een zwangerschap en een geboorte; de geboorte van de geestelijke werkelijkheid die gevormd wordt door de zielen en door de materie die de zielen met zich meevoeren. 

Moeizaam, door en dank zij de menselijke werkzaamheid, wordt de nieuwe aarde gevormd en gezuiverd, begint zij zich af te tekenen. Nee, wij zijn niet te vergelijken met de bestanddelen van een boeket, maar met de bladeren en de bloemen van een grote boom, waaraan alles op zijn eigen tijd en plaats verschijnt, naar de mate en de eisen van het geheel.’

Uniciteit

Daarom geloof ik vast dat elk nieuw mens de belofte in zich herbergt iets nieuws te kunnen beginnen. Hij is hier en nu gewenst. Daarom hoop ik erop, dat scholen in staat zullen zijn deze unieke kenmerken van elk mensenkind als vertrekpunt van denken en handelen te nemen. 

Met zo’n open blik voor het anders zijn, de uniciteit van elk mens kan dan ook de liefde opbloeien voor ‘lastige’ kinderen. ,,Dat zijn kinderen die een last te dragen hebben,” hoorde ik ooit een collega zeggen. ,,Ze vragen ons een beetje mee te dragen.” Hiermee raakt mijn ziel de ziel voor onderwijs.

Hoe kan nu de zorg voor die (onderwijs)ziel eruit zien? Dat heeft van doen met timemanagement: het evenwichtig mennen van het span paarden. Benedictus noemde dat Ora et labora: Bid en werk. Daarmee bedoel ik niet per se, dat de leraar of een team regelmatig op de knieën moet vallen. Er zijn tal van alternatieven. 

Stilte en rust zoeken.

  • Voor elkaar je inspiratiebronnen openen.
  • Tijd nemen om pedagogische dilemma’s uitputtend te bespreken.
  • Gezamenlijke studie en oriëntatie.
  • Regelmatig schoon schip maken en het goede leven vieren.
  • Ontdekken, dat de aloude deugden de kern van goed burgerschap zijn. 

Ieder kan zelf kijken hoe je een dag, een week, een jaar begint en eindigt. Maar plan je ‘sabbat-momenten’ door tijd te nemen voor de trekkracht van het paard dat je naar binnen, naar je ziel, trekt. Die kun je wél zien. 

Joop Haverkort is gepensioneerd schoolleider en schoolbestuurder. Hij is bestuurslid van de Stichting Actief Democratisch burgerschap, en van het Augustijns Centrum de Boskapel in de transitie naar Stadsklooster Mariken, Nijmegen.

3 Gedeeld

Laat een reactie achter