Religiestress: extreme gevoeligheid voor ongevraagde blootstelling aan uitingen van religie. Geloof speelt nauwelijks een rol in de samenleving. In de politiek lijkt het gereduceerd te zijn tot een pragmatisch, visieloos ‘management’. Mogen christelijke burgers nog wel participeren in de democratie?

Na drie kabinetten-Rutte heeft in onze samenleving het idee breed postgevat dat christenen hun geloof vooral áchter de voordeur zouden moeten belijden en beleven. De onderliggende naïef liberale maar vooral visieloze en vrijblijvende cultuur van – ‘ik mag het allemaal lekker zelf weten’ – die politieke vrijheid in een democratie loskoppelt van de vraag naar waarden en normen. Waarden en normen die de samenleving juist een morele horizon, richting en doel kunnen geven.

Een ‘waardenloze’ samenleving

Die waarden en normen liggen, anders dan tijdens de kabinetten-Balkenende, niet meer zo goed in de markt, zo lijkt het. Een uitzondering daarop vormen politici aan de flanken van het politieke bestel. Zij beroepen zich ofwel op de ‘joods-christelijke traditie’ (een recente mythische constructie), ofwel op negentiende-eeuwse socialistische idealen. Tegelijk richt het politieke midden zich op de regulering van de markteconomie, energiepolitiek en technologiebeleid. Het midden heeft daarbij tot nu toe geen antwoord op de behoefte in de samenleving aan sociaal-culturele richting. Dit blijkt onder meer uit de impasses rond migratie- en vluchtelingenbeleid. Het midden lijkt zo veeleer op weg naar een ‘waardenloze’ samenleving. Politiek pragmatisme lijkt daarin weliswaar de oplossing te bieden, maar in feite reduceert het de politiek tot management. De ‘hoe’-vragen van management lijken de vragen naar het ‘wat’, ‘waarom’ en ‘waartoe’ van politiek te vervangen.

De bijdrage van religie aan democratie

In de negentiende en twintigste eeuw is vanuit de christelijke traditie bijgedragen aan de totstandkoming van de moderne democratische rechtsstaat. Dit geschiedde via verschillende politieke stromingen: christendemocratie, sociaaldemocratie, het rechtsstatelijk georiënteerde liberalisme en de sociaalecologische stroming in de politiek. Maar dat was vroeger. In de huidige context, waarin instituties fluïde worden, is het een spannende vraag of christelijke burgers in de politiek nog iets kunnen bijdragen aan de kwaliteit van de democratie. Deze vraag naar de mogelijke bijdrage van christenen aan de democratie klinkt nog eens extra saillant vanwege de wijdverbreide religiestress. De extreme gevoeligheid voor ongevraagde blootstelling aan uitingen van religie. Die religiestress komt deels voort uit angst voor islamitisch fundamentalisme. Deels ook uit negatieve herinneringen aan de cultuur van de christelijke verzuiling en uit ergernis aan het seksueel misbruik in kerken. Daarom is het een extra spannende vraag of christelijke burgers ten eerste wel mogen, ten tweede kunnen, en ten derde zelfs wellicht moeten meedoen in een democratie. En of dat dan mag met medeneming van hun religieuze overtuiging. De vragen kunnen opkomen vanuit ten minste drie gezichtspunten: die van de geseculariseerde burger, de overheid en de christelijke burger.

Geseculariseerde burgers over politieke participatie van gelovigen

Allereerst het perspectief van geseculariseerde burgers: kunnen die een inbreng in het democratisch proces van religieuze zijde wel accepteren? Mogen christenen een bijdrage leveren aan democratische politiek? Als christenen zich mogen uiten – privé én openbaar –  zijn er dan redenen waarom geseculariseerde burgers hier in een proces van democratische opinie- en besluitvorming naar zouden moeten luisteren? Of moeten christelijke burgers eerst maar eens – figuurlijk – een examen ‘Verlichting en redelijkheid’ doen? Of mogen, zoals Jürgen Habermas dit in zijn latere werk stelt, christenen ook – uiteraard op reflexieve en dialooggerichte wijze – de bronnen van hun publieke moraal en politieke overtuigingen inbrengen in een democratisch proces, zonder hun religieuze overtuiging bij de eigen voordeur achter te laten?

Tweeërlei neutraliteit van de overheid

Ten tweede het perspectief van de overheid: zij moet alle burgers gelijk behandelen, of zij nu christen zijn of niet. Voorrechten voor religieuze burgers zijn uit den boze; maar uitsluiting evenzeer. Dat leidt in een pluralistisch land als het onze tot neutraliteit van de overheid. In de praktijk blijkt neutraliteit in ons land in ten minste twee basisvormen te bestaan. Ten eerste neutraliteit als afzijdigheid – van een niet-dialogerende, laat staan met religies samenwerkende overheid. Tegenover neutraliteit als het bieden van gelijkheid in verschillende vormen: gelijke rechten, gelijke verdeling van feitelijke toegang tot voorzieningen, gelijke kansen en gelijke ontplooiing op inhoud. De tweede vorm doet in verschillende schakeringen het meeste recht aan de politieke participatie in een democratie.

fredvaniersel_blog_tocqueville_mogen_christenen_participeren_samenleving_manhattan

Mogen christenen participeren in de democratie?

De conclusie met betrekking tot deze vraag is dan dat niet-christelijke burgers, gezien de neutraliteit van de overheid in de tweede betekenis van het woord, het maar moeten aanzien dat christenen een inbreng hebben in de democratische rechtsstaat. Zij hoeven dat niet prettig te vinden, noch hoeven ze a priori in te stemmen met de sociale ethiek die door christenen wordt ingebracht. Ook voor niet-christelijke burgers behoren publiek debat en compromisbereidheid echter tot de politieke mores in een democratie met een levensbeschouwelijk neutrale overheid in de tweede betekenis van dat woord.

Fred van Iersel is katholiek theoloog en als bijzonder hoogleraar verbonden aan Tilburg University.

0 Gedeeld

Laat een reactie achter