De Hagia Sofia werd exclusief moskee. Tot luide verontwaardiging, maar zonder aandacht voor lokale christenen, schrijft Peter Broeders.

De Hagia Sofia in Istanbul is sinds vrijdag 24 juli niet langer een museum maar een moskee. Het is een besluit waarvoor wereldwijd, ook in Nederland en in NRC Handelsblad, aandacht is geweest en waarover breed verontwaardiging is geuit.

De aandacht voor het gebouw staat in schril contrast met de aandacht voor de situatie van de religieuze minderheid aan wie het eens heeft toebehoord. Een pijnlijke constatering.

Veel Turkse christenen voelen de herbestemming van de Hagia Sofia – eens een christelijke basiliek – als een pijnlijk bewijs dat er voor hen geen volwaardige plaats meer is hun land. Terwijl de Hagia Sofia als museum nog kon gelden als symbool van een multireligieuze samenleving, staat het vanaf nu symbool voor het streven naar een soennitische eenheidsstaat. Hoe begrijpelijk vanuit het islamitische geloof ook, het spreekt boekdelen dat de mozaïeken met christelijke afbeeldingen in de Hagia Sofia voortaan met doeken afgeschermd zijn.

Religieus nationalisme

Waarom reageren we wél op de Hagia Sofia, maar bijvoorbeeld níet op de beperkingen waarmee religieuze minderheden in Turkije te maken hebben? Hoewel godsdienstvrijheid in de grondwet verankerd is en de meeste Turkse moslims hun christelijke collega’s en buren verwelkomen en hun geloof accepteren, baart het toenemende religieus nationalisme wel degelijk zorgen. Zo lukt het de Grieks-orthodoxe Kerk en het Armeens-orthodoxe patriarchaat door de hun door de staat opgelegde beperkingen niet om een volgende generatie priesters op te leiden. Vorig jaar verbood de Turkse regering de Armeense Kerk om bij de verkiezing van een nieuwe patriarch bisschoppen te nomineren die in het buitenland wonen, ook die van Armeens-Turkse afkomst. Dit tot onsteltenis van de Armeense gemeenschap in Turkije die zich hierover hierover echter nauwelijks durfde uit te spreken.

Op kaarten uit 1917 met de percentages christenen in Turkije, staan nog plaatsen waar christenen 35 procent van de bevolking uitmaakten. Vandaag de dag vormen zij – ondanks de recente toename door christelijke vluchtelingen uit buurlanden die een veiliger haven vonden in Turkije – amper twee procent.

De situatie van christelijke minderheden in de hele regio is schrijnend, zo blijkt uit het rapport Vervolgd en vergeten? dat Kerk in Nood vorig jaar publiceerde. Zo waren er vóór 2003 bijna 1,5 miljoen christenen in Irak. In 2019 waren het er hooguit 150.000, een daling van 90 procent binnen één generatie. In Syrië is het aantal christenen met tweederde gedaald sinds daar in 2011 het conflict begon. Christelijke gemeenschappen staan steeds meer onder druk. Ze worden ondermijnd in hun wortels en hun identiteit, een realiteit die het besluit over de Hagia Sofia fysiek zichtbaar maakt.

Solidariteit

Hoewel christenen simpelweg dreigen te verdwijnen uit de bakermat van het christendom, lijken wij ons niet druk te maken om deze mensen. Een iconisch gebouw, de Hagia Sofia, vinden we belangrijk en interessant. Laat de actuele commotie rond de oud-basiliek voor ons aanleiding zijn voor solidariteit met christenen en andere religieuze minderheden in Turkije en in andere landen in de regio.

Het is misschien wat onwennig omdat we niet vaak spreken over godsdienstvrijheid, maar gebouwen zijn niet belangrijker dan mensen.

Bron: NRC Handelsblad
Auteur: Peter Broeders is directeur van Kerk in Nood Nederland.

0 Gedeeld

Laat een reactie achter