Een samenvatting van de nieuwe encycliek van paus Franciscus.
Hoe broederschap als basis kan dienen voor een nieuwe samenleving.

Op 4 oktober (het feest van Sint Franciscus) verscheen de nieuwe encycliek van Paus Franciscus en de openingswoorden ‘Fratelli tutti’ ontleent hij aan de wijze waarop Sint Franciscus zijn broeders en zusters aansprak. Het is een encycliek over broederschap / zusterschap als leidend principe bij de inrichting van de samenleving. Dat zusterschap betreft alle mensen, niemand uitgezonderd. De encycliek is te lezen als een samenvatting van alles wat Franciscus in de afgelopen jaren heeft gezegd over vraagstukken van migratie en vluchtelingen, solidariteit, respect voor andere culturen en religies. Sinds zijn aantreden en zijn eerste reis naar Lampedusa, zijn dit vaste thema’s geworden in zijn toespraken, preken, brieven en audiënties. Hij heeft dan ook ruim geput uit zijn eigen archief: van de 288 voetnoten bij de encycliek zijn er ruim 170 die verwijzen naar deze eigen teksten van de paus.

Kritiek op heersende cultuur

De encycliek opent in het eerste hoofdstuk met een stevige kritiek op de heersende cultuur waarin broederschap uit het oog verloren is. In de heersende cultuur van ‘ongebreidelde consumptie en leeg individualisme’, het gericht zijn op eigen voordeel en eigen belang, in de oppervlakkigheid van de hedendaagse communicatie en de opkomst van een ‘extremistisch, wrokkig en agressief nationalisme’ ziet hij evenzovele tekenen van een samenleving die haar morele kompas kwijt is. Hoewel hij van meet af aan een pleidooi houdt voor een wereld zonder grenzen, ziet hij de zich ontwikkelende globalisering als een uniformering die onrecht doet aan de rijkdom en diversiteit in de wereld en die gestuurd wordt door ideologische en economische macht.

Barmhartige Samaritaan

In het tweede hoofdstuk zet hij, aan de hand van de parabel van de Barmhartige Samaritaan (Luc 10:25-37) de basis uiteen voor zijn denken over broederschap. Centraal staat de boodschap dat in het verhaal grenzen overschreden worden van cultuur en religie (Joden en Samaritanen) en dat de nood van de man die overvallen is in de ogen van Jezus voorrang heeft op alle andere sociale en religieuze verplichtingen. De parabel geeft ook aanleiding om een andere kant dan de directe hulpverlening te benadrukken. De Samaritaan helpt niet alleen ter plekke, langs de kant van de weg, maar zorgt er ook voor dat de zorg doorgaat door een herberg te zoeken en geldelijke steun te verzorgen. Hierdoor en door een nauwkeurige analyse van de verschillende personages in het verhaal, krijgt het verhaal meer diepgang dan de vaak eendimensionale interpretatie van directe hulp.

Open wereld

In het derde hoofdstuk gaat het over het perspectief van een open wereld. De ontmoeting met anderen maakt ons tot rijkere mensen en hoewel de aarzeling en de angst voor het vreemde begrijpelijke afweermechanismen zijn, is het voor paus Franciscus helder dat wij daardoor niet alleen de ander belemmeren, maar ook onze eigen ontwikkeling. Als liefde en broederschap de basis zijn voor ons samenleven, dan betekent dat wij altijd open staan naar anderen. Hun anders zijn in cultuur, religie, economie maakt hen. Niet tot vreemden, maar tot mensen die ons kunnen verrijken. Die openheid betreft niet alleen migranten en vluchtelingen, maar ook mensen met een beperking, ouderen en alle gediscrimineerde groepen. In de encycliek houdt de paus een warm pleidooi voor diversiteit. Hij verzet zich tegen een globalisering die leidt tot uniformiteit en een vals universalisme, waarin alle zich conformeert aan wat volgens hem uiteindelijk de standaard is die door de mensen met de meeste macht wordt opgelegd. In de traditie van het katholiek sociaal denken gaat het om de menselijke persoon als individu en als lid van de gemeenschap. Die heeft het primaat boven efficiëntie en rendement.

Aan het eind van het hoofdstuk verbindt hij dat met de katholieke leer over eigendom: privé-eigendom moet altijd gezien worden in het licht van het algemeen welzijn. De rijkdom van de schepping is er voor iedereen: dat is het allereerste principe van een morele en sociale orde.

Migratie

In hoofdstuk vier wordt dit idee van een open wereld verder uitgewerkt. Dat hoofdstuk begint met de constatering het zo zou moeten zijn dat mensen niet onnodig zouden hoeven te migreren: een rechtvaardige wereld biedt mensen overal gelegenheid om zichzelf te ontplooien en een leven in waardigheid te leiden. Het ontbreken van zo’n rechtvaardige wereld betekent dat we mensen die oorlog ontvluchten of op zoek zijn naar een perspectief in hun bestaan moeten ‘verwelkomen, beschermen, ondersteunen en integreren’ (FT 129). Vervolgens citeert hij zijn eigen boodschap ter gelegenheid van de internationale dag van vluchtelingen en migranten in 2018 om op te roepen tot het zorgen voor de noodzakelijke faciliteiten die mensen helpen op hun weg (visa, humanitaire corridors, huisvesting). Mensen die al langer in een land zijn hebben recht op volledig burgerschap om een positie als tweederangs burger of minderheid te voorkomen.

Overigens moeten we twee opgaven in balans houden: we moeten het globale in ogenschouw houden om benepenheid te vermijden, maar we moeten ook het lokale zien om te zorgen dat we met beide benen op de grond blijven staan (FT 142). De passage over het lokale wordt vervolgens doorgezet in de gedachte dat elke ontmoeting alleen kan als we stevig in onze eigen schoenen staan. Het land en de plaats waar we vandaan komen vraagt om aandacht en verzorging.

Betere politiek

In het vijfde hoofdstuk trekt hij zijn idee over broederschap/zusterschap door naar politiek en doet hij een oproep tot betere politiek. Hij begint dat hoofdstuk met kritiek op het populisme. Opnieuw bevestigt hij de noodzaak om een eigen identiteit als gemeenschap te hebben, maar dan een die open staat naar buiten om zo te groeien en te ontwikkelen (FT 160). Hij veroordeelt populistische politici die het sentiment van mensen exploiteren voor eigen korte termijn gewin. Tegelijk erkent hij de beperkingen van het individualistisch liberalisme, waarin de samenleving geen gemeenschappelijk verhaal meer is, maar slechts de optelsom van individuele belangen en ambities. Individuele begeerte in een bedreiging voor de samenleving en het algemeen welzijn. Hij onderschrijft de noodzaak van een wereldautoriteit die opereert binnen wettelijke kaders. Een eerste aanzet is volgens hem een hervorming van de Verenigde Naties en andere internationale instituties. Daarbij is de bijdrage van civil society organisaties onmisbaar als tegenwicht en compensatie voor de tekortkomingen van de internationale gemeenschap.

Franciscus trekt het begrip broederschap door naar politiek in de zin dat hij het begrip ‘political charity’ introduceert. Politiek is niet iets anders dan caritas, het is een eigen vormgeving van de caritas die de basis is van de samenleving (FT 180).

Dialoog en vriendschap

In hoofdstuk zes herneemt hij het thema van dialoog en vriendschap. Teveel communicatie vandaag de dag blijft wat de paus betreft steken in het voeren van en ‘parallelle monoloog’ (FT200), waarin vooral de eigen positie en het eigen belang voorop staan. Dialoog is het voertuig om onze onenigheid te overwinnen. Die dialoog maakt ons ook gevoelig voor de culturele verschillen. Inheemse groeperingen hebben een heel ander beeld van vooruitgang.

Voor Franciscus gaat waarheid niet over het vaststellen van feiten, maar om het gezamenlijk vinden van de grondslagen en morele ankers van onze samenleving. Hij herhaalt hier de overtuiging van de katholieke kerk dat er fundamentele waarden zijn die onze concrete context overstijgen en die ook niet onderhandelbaar zijn.

Ontmoeting en dialoog

In hoofdstuk zeven schetst de encycliek de wegen naar ontmoeting en dialoog. Daarbij moeten we onder ogen willen zien wat er is gebeurd: waarheid, gerechtigheid en barmhartigheid moeten daarbij samengaan (FT 227). De verschillen die er zijn en die de basis zijn van de dialoog veronderstellen dat we zelf verbondenheid ervaren: dat we ergens bij horen en geworteld zijn. Processen van vrede en verzoening vragen om betrokkenheid van iedereen, niet alleen om uitkomsten aan onderhandelingstafels. Ook lokale gemeenschappen hebben daarin een rol: te vaak worden zij over het hoofd gezien of wordt er in generaliserende zin over gesproken. Voor de christelijke traditie zijn vergeving en verzoening centrale begrippen. Vergeving en verzoening kan nooit betekenen dat het onrecht blijft bestaan. De confrontatie met de onderdrukker moet altijd gezocht worden om als samenleving verder te komen. Vergeven betekent niet dat we vergeten.

De encycliek sluit af met twee hele concrete issues: het herhaalt het standpunt van de kerk dat een categorische afwijzing van de doodstraf inhoudt. Nieuw is dat deze encycliek de gedachte van de rechtvaardige oorlog afwijst. Deze in de loop van de geschiedenis ontstane gedachte dat oorlog onder bepaalde condities gerechtvaardigd is, lijkt volgens paus Franciscus niet langer houdbaar. De ellende van oorlogen weegt meestal niet op tegen de veronderstelde positieve effecten. De instrumenten van de internationale gemeenschap voor onderhandelen, mediation en arbitrage zijn de geëigende weg om conflicten te beslechten.

Hedendaagse rol van religies

In het slothoofdstuk acht belicht de encycliek de rol van religies in de wereld. Deze afsluiting van de encycliek start met de gedachte dat de rede onvoldoende is om echte broederschap tussen mensen tot stand te brengen. Het overwinnen van eigenbelang en groepsbelang vraagt om een transcendente waarheid. In de lijn van de encycliek is het dan ook logisch dat religies, met respect voor de eigenheid van de politiek, een rol te spelen hebben in de publieke ruimte. De encycliek herhaalt het standpunt van het Tweede Vaticaans Concilie over de vrijheid van godsdienst en het respect voor andere religies. Dat maakt ook dat religies onderling de dialoog moeten aangaan en vooral elke vorm van geweld of oproepen tot geweld moeten afwijzen.

0 Gedeeld

Laat een reactie achter