‘Begin bij de armen’

De voorkeursoptie voor de armen ligt vele religieuzen na aan het hart. Op treffende wijze wordt dit zichtbaar in het optreden van paus Franciscus. Het maakt hem voor velen – gelovigen en ongelovigen – tot een inspirerend en navolgenswaardig persoon.

De identificatie met de armen behoort tot het hart van het christelijk geloof. Jezus’ optreden in de evangeliën is daarvan een levende getuigenis. De formule als zodanig kan echter worden gemunt door de bevrijdingstheoloog en dominicaan Gustavo Gutiérrez. Hij was het die de ‘voorkeursoptie voor de armen’ ingang deed vinden in de theologie. Sprekend over deze voorkeursoptie stelt Gutiérrez dat ‘[de armen] het vermogen [hebben] om te evangeliseren: zij zijn niet alleen degenen op wie de evangelisatie zich richt, veel meer nemen zij de aankondiging van het evangelie in eigen hand’.[1] Dat zijn opmerkelijke woorden. Niet alleen richt het evangelie zich op de armen, zij zijn het die het vermogen hebben om te evangeliseren.

Iets dergelijks zegt paus Franciscus in zijn apostolische exhortatie Evangelii Gaudium wanneer hij stelt dat ‘de armen ons een hoop te leren hebben. Niet alleen delen zij in het sensus fidei, maar in hun moeilijkheden kennen zij de lijdende Christus. Daarom moeten wij ons laten evangeliseren door hen’ (EG 198). De armen nemen – zo zegt Franciscus – in Gods hart een speciale plaats in. Zozeer dat Hijzelf arm werd en ter wereld kwam in een voederbak. De gehele geschiedenis van onze verlossing wordt dan ook gemarkeerd door de aanwezigheid van de armen (EG 197).

Onze hoop breekt zo door in het onverwachte. Ze is zichtbaar in een kwetsbaar kind gelegen in een voederbak, omdat Jozef en Maria niet welkom zijn in de herberg. Onze hoop wordt zichtbaar in de lijdende Christus die onderdak biedt aan allen die niet gezien worden en onzichtbaar zijn. Treffend verwoordt lekendominicaan Erik Borgman dit als hij ergens een beeldspraak uit een van de preken van Bernardus van Clairvaux (1090-1153) aanhaalt. Bernardus vergelijkt Christus met een rots. Deze rots kent spleten waarin de duif – om het met het Hooglied te zeggen – zich kan verschuilen (Hgl 2,14). ‘Christus is [volgens Bernardus te zien als] de rots en zijn wonden zijn de spleten waarin degene die zelf door lijden gewond is, zijn toevlucht kan vinden en kan worden opgenomen in Gods barmhartigheid’.

Het zijn zo de armen die bij uitstek de wonden van Christus kennen. Dit klinkt abstract, maar dat is slechts deels het geval. Want volgens paus Franciscus strekt een gemeenschap die werk maakt van het evangelie zich uit naar het alledaagse leven van mensen. Een échte gemeenschap omhelst het leven van mensen en ‘raakt het lijdende lichaam van Christus aan in anderen’ (EG 24). Het lijden van de mensen om ons heen en van onszelf, vindt zo ondergrond en wordt gedragen door het lijden van Christus. Het is zo bezien juist datgene wat we niet willen zien, dat waar we bang voor zijn. Ja, misschien zelfs wel dat wat we soms verafschuwen, waar vanuit verlossing geboren wordt.

In onze eigentijdse samenleving staan woorden als ‘Christus’, ‘lijden’ en ‘verlossing’ voor veel mensen veraf van de dagelijkse realiteit. De inhoud en de diepte die deze woorden aanraken komen echter tegemoet aan een sterke behoefte. Exemplarisch is paus Franciscus. Het enthousiasme waarmee zijn woorden en daden ontvangen worden in ons land, is ongekend. Alsof hij een verlangen aanraakt bij mensen. Alsof hij iets representeert waar velen – gelovig en ongelovig – naar hunkeren.

Paus Franciscus’ woorden klinken als nieuw, omdat ze samenvallen met wat hij uitstraalt en met wat hij doet. Denk maar aan zijn bezoek aan de Romeinse jeugdgevangenis Casal del Marno op Witte Donderdag, waar hij de voeten waste van jeugddelinquenten. Christen en niet-christen, vrouw en man. Of aan zijn bezoek aan Lampedusa waar hij de bootvluchtelingen bezocht waar heel Europa de ogen voor sluit. Het zijn deze daden waarmee hij keer op keer zijn geloofwaardigheid bevestigt en de boodschap waarvoor hij staat belichaamt.

Het is deze houding waar vertrouwen uit geboren wordt. Die aanstekelijk werkt en geloofwaardig maakt. In het doen en laten van Franciscus straalt iets door van de Blijde Boodschap, waar mensen – ook in onze samenleving – behoefte aan hebben. Het klopt helemaal dat de inhoud van christelijke woorden vaker niet dan wel verstaan wordt. Maar onze houding, onze belichaming van deze woorden, biedt een ingang om mensen nabij te zijn. Ze scheppen ruimte waar vertrouwen in kan gedijen. Vertrouwen waar mensen met hart en ziel behoefte aan hebben. En is er vertrouwen dan ontstaat er vanzelf ruimte voor gesprek.

Zonder aarzelen omschreef paus Franciscus zich in het interview met Antonio Spadaro als een zondaar: ‘ik ben een zondaar – zei hij – op wie de Heer zijn blik heeft laten vallen’.[2] Ik vind het een mooi beeld. Hij zet zichzelf niet neer door te omschrijven wat hij allemaal doet en welke functie hij bekleedt. Hij onderkent daarentegen dat hij met lege handen staat, dat wij in feite allemaal aan het einde van de rit als naakte mensen voor onze Schepper staan.

Onderkennen dat je met lege handen staan. Dat past bij vrijwillige armoede. Het zegt iets over waarin wij ons vertrouwen stellen. Stellen wij ons vertrouwen in een maakbaarheidsgeloof, waarvan wij zelf het middelpunt vormen en waarbij wij onze successen behalen dikwijls ten koste van de ander? Of onderkennen we dat we in het licht van de ander – met hoofd- en kleine letter – tot bloei komen? Dat wij geroepen zijn om ruimte te geven aan anderen om goed te zijn en om het goede te doen. Het is dit tweede beeld waarin de antwoorden verscholen liggen op de veelkleurige crises waarmee wij momenteel te kampen hebben.

door Thijs Caspers
Caspers is theoloog, lekendominicaan en vanuit het VKMO als gastonderzoeker verbonden aan Tilburg University.

[1] t. caspers, p. chatelion-counet, Waarom de armen, de ‘voorkeursoptie voor de armen’ in het licht van de Bergrede, Tijdschrift voor Theologie 4 (2013) 343.

[2] antonio spadaro, ‘Interview met paus Franciscus’ Streven (2013) 3.

 

0 Gedeeld

Laat een reactie achter