Na de wat lacherige ophef over de vervolging van een actievoerder wegens majesteitsschennis, kon het niet uitblijven. Het delict van majesteitsschennis zelf wordt ter discussie gesteld. De eerste commentaren in de kranten waren even gratuit als voorspelbaar: het wetsartikel is ‘archaïsch’, ‘absurd’, ‘onzalig’. ‘Op vier en vijf mei de mond vol hebben van de zwaar bevochten vrijheid, maar wel iemand hiervoor vervolgen’, luidde een berichtje op Twitter op 7 mei. En een dag later betoogde advocaat Sidney Smeets in deze krant (Opinie, 8 mei) dat een koning die meent door God gezonden te zijn, niet meer van deze tijd is en dat zo ‘anti-monarchisten’ de mond zou worden gesnoerd. De teneur is duidelijk: waarom zou de koning anders behandeld moeten worden dan wij? En zijn wij na de vreselijke voorvallen in Parijs niet allemaal ‘Charlie Hebdo’?

Godslastering

De onverbiddelijke logica van de gelijkheid en de vrijheid lijkt het te eisen: je bent niets minder dan een ander en je mag zeggen wat je wilt. De gelijkenis met de discussie over de smalende godslastering is duidelijk: wèg met bijzondere uitingsdelicten, weg met ‘privileges’! Wie durft dan nog een ander licht te werpen op dit wetsartikel?

Het strafrecht besteedt afzonderlijk aandacht aan onder meer het beledigen van een bevriend staatshoofd, een ambtenaar in functie en het staatshoofd als representant van de staat. Mogen zij niet apart behandeld worden? En wat als het om intimidatie van hulpverleners gaat? Is dat niet anders dan wanneer het om een argeloze voorbijganger gaat?

De reden voor het onderscheid is niet dat sommige personen meer ‘gelijk’ zijn voor de wet dan anderen. Ook is het voor de personen zelf niet ‘erger’ om beledigd te worden of zijn zij gevoeliger dan anderen. Het is vooral een symbolische uitdrukking dat zij in een bijzondere positie verkeren in het openbare leven en de openbare orde. Kamerleden kunnen daarom juist niet worden vervolgd om wat zij in de Kamer hebben gezegd. Moeten zij in dit opzicht ook gelijk behandeld worden aan elke burger?

Groepsbelediging

Wetgeving met symbolische betekenis heeft tegenwoordig geen goede naam. Dat is terecht wanneer wetgeving die bedoeld is om effectief te zijn, onpraktisch, onwerkbaar of onuitvoerbaar is. Maar sommige wetgeving is niet in eerste instantie gericht op effectiviteit. De betekenis ervan ligt dieper. En daar is niets mis mee.

Wat te denken van de wetgeving die vormen van groepsbelediging strafbaar stelt? Moet die ook worden afgeschaft? Het hele publieke domein is vol van symboliek, denk aan nationale feest- en gedenkdagen. Dat geldt ook voor wetgeving.

En hoe is het met de vrijheid gesteld? Het is een groot misverstand om te denken dat het hier gaat om het beperken van kritiek en dat kritische burgers de mond wordt gesnoerd. Belediging is iets anders dan kritiek. Ook bij de smalende godslastering was dat het geval. Vrijheid van meningsuiting wordt trouwens meer beperkt door andere wetgeving dan door de strafwet. De strafwet is een uiterste middel. De interpretatie verandert met de tijd, daarin verschilt deze wetgeving niet van andere.

Tot slot. De genoemde strafbepalingen geven uiting aan het belang van de infrastructuur van de staat. Het OM doet er natuurlijk goed aan te kijken of vervolging verstandig is. Vervolgingen moeten niet lichtvaardig worden ingezet. Wanneer een strafwetsartikel niet vaak wordt toegepast, betekent het niet dat het geen betekenis heeft. Het klinkt misschien wat paradoxaal. Maar is het leven niet vol van paradoxen?

Sophie van Bijsterveld is lid van de Eerste Kamer (CDA) en hoogleraar religie, recht en samenleving aan de Radboud Universiteit Nijmegen

0 Gedeeld

Laat een reactie achter